E-mailPrint

Categorie: Bestuurs- en rechtswetenschappen

Videoblogs Kettingreactie: Zijn wij ons brein? Prof. dr. Nora van Oostrom

Door Studium Generale op 08-05-2012

Bekijk nu de derde videoblog in een serie die in samenwerking met de NTR tot stand komt, naar aanleiding van de Kettingreactie: Zijn wij ons brein? Prof. dr. Nora van Oostrom is hoogleraar Notarieel Recht. Juist in de rechtspraak heeft de vraag naar de aard van de vrije wil mogelijk verregaande gevolgen. Welke rol spelen neurowetenschappen in de rechtszaal? Lees ook het eerdere nieuwsblogbericht. De uitgebreide reacties zijn verzameld in de e-bundel Zijn wij ons brein, dat hier gratis te downloaden is. Het eerste filmpje, van dr. Martijn van den Heuvel is hier te zien, gevolgd door de reactie van Marcus Düwell.

Categorie: Bestuurs- en rechtswetenschappen | Geen reacties »

Leiderschap onder druk

Door Melanie Peters (dir. Studium Generale) op 17-11-2011

In het kader van de strategische alliantie tussen de TU/e, de Universiteit Utrecht en het UMC Utrecht sprak bestuurskundige prof. dr. Paul ’t Hart op 16 november bij de lunchlezing van Studium Generale aan de TU in Eindhoven over leiderschap. Prof. Sjoerd Romme, die eerder al te gast was in de Boothzaal in Utrecht, was ditmaal de ontvangende partij.

Arno Peels, voorzitter van het College van Bestuur, was enthousiast over de nadere kennismaking tussen wetenschappers van beide instituten, die elkaar in deze lezing letterlijk en figuurlijk aanvullen. Ingenieurs willen de wereld graag veranderen, maar kunnen dat niet alleen. Lees meer »

Categorie: Bestuurs- en rechtswetenschappen | Geen reacties »

Het nieuwe leiderschap: denken op twee benen

Door Cora Hollander (stagiaire) op 29-09-2011

Een leider, dat is iemand die mensen en processen aanstuurt, beslissingen neemt, een boegbeeld is van de organisatie, kan motiveren en binden en een inspirerende visie heeft. Zomaar wat trefwoorden die je aan zult treffen in elk boek over leiderschap. Zeker nu de verschillende crises over elkaar heen buitelen, is de roep om leiderschap groot. Maar hoe doe je dat nu, goed leiding geven? En verwachten we niet te veel van onze leiders?

Leiderschap, zo betoogt prof. dr. Sjoerd Romme in de lunchlezing Het nieuwe leiderschap, is een complex proces dat je moet organiseren en niet moet overlaten aan enkele personen. Zeker in grote organisaties is kennis en invloed op veel meer plaatsen aanwezig dan alleen bij de formele, hoogste leiders. Romme spreekt hier van ‘gedistribueerd leiderschap’: afhankelijk van de taak en het moment is iedere deelnemer soms leider en soms volger. De uitdaging van de leider is deze aanwezige kennis en ideeën te sturen en te benutten. Lees meer »

Categorie: Bestuurs- en rechtswetenschappen | Geen reacties »

Crisis: We hebben het zelf veroorzaakt, maar we kunnen er ook zelf wat aan doen

Door Melanie Peters (dir. Studium Generale) op 16-02-2011
Dat zei prof. dr. Hans Schenk (Utrecht School of Economics) in de tweede lezing in de serie Duurzaamheid als wereldbeeld over de crisis in de financiële wereld. De crisis is van menselijke makelij. We zullen ons dat aan moeten trekken en de financiële instituties andere opdrachten moeten meegeven, met ‘the public good’ als toetssteen en niet de prijs van het aandeel. Daarvoor moeten we eerst een mentale revolutie doormaken, want wij zijn het die met zijn allen beslissen over de regels van het spel.

Dezelfde mening was prof. dr. Bas van Bavel (Sociale en Economische Geschiedenis, UU) toegedaan. De geschiedenis laat zien dat markt, staat en andere vormen van beheer elk hun plaats hebben bij het bewaken van financiële, ecologische en sociale duurzaamheid. Maar degenen die groot geworden zijn binnen deze instituties en de spelregels kennen zullen ze vroeg of laat misbruiken voor hun eigen gewin. Daarom is een tweede voorwaarde dat tegenmacht wordt geïnstitutionaliseerd en ‘gewone mensen’ worden betrokken bij besluitvorming over de spelregels. Ontaarde instituties zullen volgens beide sprekers niet vanzelf veranderen, dat gebeurt pas als mensen hun stem laten horen. Instituties zijn nodig om collectieve actieproblemen zoals die zich voordoen bij duurzaamheidvraagstukken te overwinnen, maar de instituties moeten levend gehouden worden en het algemeen belang als uitgangpunt nemen.

Schenk laat de valkuilen zien van de economische wetenschap. Die heeft zich lang gespiegeld aan de natuurkunde. Maar de veronderstelling dat mensen en bedrijven rationeel handelen, onafhankelijk van elkaar, en dat zij hun gerechtvaardigd eigenbelang kennen, kloppen niet in de economische praktijk. Anders dan in de fysica gaan objecten relaties met elkaar aan, apen elkaar na en manipuleren zelf de (economische) wetten waaraan ze onderhevig zijn. Weldenkende economen, met enige kennis van psychologie en sociologie, hadden hiervoor kunnen waarschuwen. Toch blijft de opvatting van de ecomomie als een natuurwetenschap dominant en gaf die een basis aan de ideologie van mensen als Margareth Thatcher (‘there is no such thing as society’). Alleen privaat eigendom werd gezien als iets waar mensen voor wilden zorgen, de rol van de overheid werd geminimaliseerd en allerlei wetgeving die schokeffecten in de markt kon dempen is afgeschaft. In plaats van reële waarde (maak ik een nuttig product, ben ik winstgevend of efficiënt, innoveer ik en zorg ik voor de ontwikkeling van mijn personeel), stond de op ‘reputatie’ gebaseerde prijs van het aandeel centraal (is er veel geld in kas om een overname te plegen). De toezichthouders op de markt waren niet kritisch, ze stelden het aandeelhoudersbelang voorop in plaats van een definitie van publiek belang te hanteren zoals daarvoor.

Volgens Schenk, die het onderzoek van de Commissie-de Wit leidde over de finaniële crisis, wordt er nog steeds te weinig urgentie gevoeld in de financiële wereld. In plaats van prikkels in te voeren (zoals een heffing op kapitaaltransacties – Tobin tax) die speculatie voorkomt, worden de verdampte miljarden via belastingen terugbetaald door ons allemaal. Ook de deregulering gaat door en de discussie over wat nu het publiek belang is op de lange termijn wordt niet gevoerd. Hoopvol is daarentegen dat bedrijven inzien dat zij maatschappelijk verantwoord moeten ondernemen, al is het maar voor hun reputatie. Ook het feit dat de economie geen natuurwetten kent, geeft ons hoop. Dat betekent dat we met zijn allen deze wetten kunnen maken en vaststellen welke uitkomsten we willen van de markt.

Van Bavel presenteerde ons de geschiedenis als een laboratorium waarin je economische theorieën kunt toetsen. Zijn onderzoek gaat terug naar de middeleeuwen waarin markt en staat zijn ontstaan. Hij prikte de mythe door dat vooruitgang gecorreleerd is aan economische voorspoed zoals gemeten door het Bruto Nationaal Product. De laatste decennia was ook onder historici de dominante theorie dat hoe vrijer de markt en hoe zekerder het eigendom, hoe meer groei. Zo waren de ontwikkelingen in Noordwest-Europa en zo zou de rest van de wereld zich ontwikkelen. In plaats van het BNP gebruikt Van Bavel een definitie van welzijn als centrale indicator (die sterk correleert met iemands lengte en die een historicus dus goed kan meten). Op basis van deze onderzoeken blijkt ‘achterlijk’ Drente, waar geen markt was en nauwelijks overheid, het veel beter te doen dan het westen van Nederland tijdens de industriële revolutie. De nadruk op technologie, markt en groei klopt dus niet. Integendeel, het blijkt dat welzijn correleert met gelijkheid, gelijke verdeling en zeggenschap over de inrichting van de samenleving. Katrina was dus geen ecologische ramp; er was geen gebrek aan techniek of welvaart. Het was een sociale ramp of beter gezegd een institutionele ramp, waarbij mensen hun lot niet in eigen hand konden nemen. De sleutel is volgens Van Bavel gelegen in balans: macht en tegenmacht. Vakbonden, coöperaties, waterschappen en Drentse dorpen met hun gemene gronden zijn daarvan goede voorbeelden.

De uitdaging is nu de ervaringen uit de geschiedenis te gebruiken bij het ontwerpen van instituties op wereldschaal. Dat kwam aan bod in de volgende lezing, van prof. dr. Henk Kummeling (decaan Recht, UU) en prof. dr. Mark Bovens (Bestuurskunde). De noodzaak om input uit verschillende disciplines te combineren deed Van Bavel het initiatief nemen tot de oprichting van het Kenniscentrum voor Instituties van de Open Samenleving aan de Universiteit Utrecht, waar ook Kummeling en Bovens aan verbonden zijn. Hoe kan een duurzame samenleving eruit zien? Ze bespreken de rol van de staat in een globaliserende wereld. Heeft de nationale overheid geen rol in duurzaamheid? Vraagstukken op het gebied van financiële, ecologische en sociale duurzaamheid zijn zeer complex. Hoe organiseer je zeggenschap op wereldniveau? En kan iedereen wel over deze ingewikkelde materie meepraten?

Kijk de lezing terug.

Categorie: Bestuurs- en rechtswetenschappen | 1 reactie »

Juryrechtspraak is de mooiste vorm van rechtspraak

Door Melanie Peters (dir. Studium Generale) op 23-10-2010

Naar aanleiding van de Belgische parachutemoord is de discussie over juryrecht weer eens losgebroken. De reacties in Nederland zijn fel, terwijl ook de Nederlandse gerechtelijke dwalingen recent nog in het nieuws waren. Hoe zit dat? Is het juryrecht echt zo bevattelijk voor de publieke opinie en voor fouten?

Volgens prof. Chrisje Brants is een zuivere discussie over het nut  van juryrecht in Nederland niet mogelijk. De afkeer van lekenparticipatie is een diepgeworteld fenomeen in de Nederlandse cultuur en dat is al eeuwen zo. Dat is jammer want juryrechtspraak kanaliseert juist de onvrede van het volk.  Daarnaast blijkt uit onderzoek en experimenten dat leken zodra ze zich verdiepen in dossiers niet anders oordelen dan professionals. De huidige situatie in Nederland is er een waarbij het publiek geen verantwoordelijkheid heeft, maar wel een mening. Het wordt de facto uitgesloten van het recht. Het kan geen kennis nemen van wat er gebeurt in de rechtbank omdat getuigen worden gehoord achter gesloten deuren en veel bewijsstukken zijn niet bekend bij het publiek. Wat er dan ontstaat is een journalistiek als die van Peter R. de Vries, gebaseerd op onvrede. Volgens Brants is juryrecht de meest democratische vorm van rechtspraak. Toch is zij de eerste om eraan te twijfelen of juryrecht in Nederland zal werken, omdat zij beseft dat de culturele traditie zo anders is. Om het oordeel in de parachutemoord te kunnen vellen moet je dus het liefst Belg zijn.

Of informeer jezelf over de voor- en tegens van juryrecht door de hele lezing van prof. Brants 'Het publiek als rechter' terug te kijken on-line.

Categorie: Bestuurs- en rechtswetenschappen | Geen reacties »

De rechter moet op zijn woorden letten

Door Jessie Waalwijk (programmamaker) op 20-10-2010

Prof. dr. Mirko Noordegraaf in NRC (9/10/10) over het tanende gezag van de toga: Discussie op televisie is een realiteit.

Tot voor kort zagen we de rechtsprekende macht als onafhankelijke derde macht, en we discussieerden niet echt publiekelijk over het gezag van rechtspraak. De laatste jaren lijkt iedere schroom verdwenen om een van de laatste bastions van onafhankelijke professionals aan te vallen. Dat is deze week maar weer eens aangetoond in het proces tegen Wilders.

Op de eerste dag (maandag) werd meteen al een verzoek gedaan de rechters te wraken, naar aanleiding van een uitspraak van de voorzitter van de rechtbank. Toen Wilders zich op zijn zwijgrecht beriep, zei rechter Moors: ,,U wordt wel eens verweten - door anderen - dat u goed bent in het poneren van een stelling, maar dat u de discussie uit de weg gaat. Het lijkt er een beetje op dat u dat nu vandaag ook weer doet." Lees meer »

Categorie: Bestuurs- en rechtswetenschappen | Geen reacties »

Rechters zijn geen theologen

Door Rick Berends (student-assistent) op 07-10-2010

Prof. mr. Jenny Goldschmidt over gelijkheid en wanneer verschil belangrijk mag zijn.

Volgens het gelijkheidsbeginsel moeten mensen in gelijke gevallen gelijk behandeld worden. Maar ‘gelijkheid’ is een breed begrip dat slechts betekenis krijgt in relatie tot andere rechten. Iedereen heeft het recht zijn mening te uiten, iedereen heeft recht op arbeid of scholing en iedereen dient voor de wet gelijk behandeld te worden. Maar soms zijn verschillen relevant. Hoe bepaal je dat in theorie en in de praktijk? Prof. mr. Jenny Goldschmidt stelt dat kennis uit andere disciplines nodig is om de effectiviteit van het recht te bepalen.

Als een groep meisjes een winkelcentrum terroriseert met diefstal, vernieling en bedreiging, discrimineert de politie dan als ze alleen vrouwen preventief gaat fouilleren? Moet ze in een dergelijk geval mannen en vrouwen gelijk behandelen? En als het gaat om een bepaalde huidskleur of religie? Geldt dan hetzelfde? De politie maakt regelmatig gebruik van profielen. Wanneer mag dat? Lees meer »

Categorie: Bestuurs- en rechtswetenschappen | Geen reacties »

Winnende column – Het gezag van de toga

Door Jessie Waalwijk (programmamaker) op 24-09-2010

Gister vond de derde Nacht van Descartes plaats met als thema ‘Het gezag van de toga’ (bekijk binnenkort de lezingen terug via: www.sg.uu.nl). Bij deze Nacht schreven Het Descartes Centre en Studium Generale een columnwedstrijd uit. Met kop en schouders stak de column van de winnaar: Jozef Waanders uit boven de andere columns. Hij schreef een pakkend betoog met verrassende nieuwe argumenten en hij vermeed de klassieke topoi. Bovendien was het qua stijl een echt essay/column met een heldere ter zake doende vraagstelling: Wat te doen aan de menselijke feilbaarheid? Lees de winnende column: Lees meer »

Categorie: Bestuurs- en rechtswetenschappen | Geen reacties »

De rechtbank als bedrijf

Door Rick Berends (student-assistent) op 15-09-2010

‘Dit jaar gaat de rechtbank verlies maken, dat is nu al duidelijk’, aldus Frits Bakker, president van de rechtbank in Den Haag afgelopen maandag in het programma Nieuwsuur. Volgens Bakker  begint de rechtbank steeds meer op een bedrijf te lijken en dit is een negatieve ontwikkeling. Door de tijdsdruk waar rechters mee te maken hebben komt de nauwkeurigheid die het publiek (terecht) eist in het geding. Tijd om dossiers zorgvuldig door te nemen is er niet. Er mogen ook niet teveel zaken blijven liggen. Hier komt nog eens bij dat de uitstroom van de babyboomgeneratie tot een tekort aan rechters kan leiden in de toekomst. Wat betekent dit voor het gezag van de rechterlijke macht op de lange termijn?

Wat zijn jouw gedachten over de rechterlijke macht en haar gezag? Doe mee aan onze columnwedstrijd en maak kans gepubliceerd te worden op DUB en 250 euro aan boekenbonnen!

Donderdag 23 september zal Studium Generale zich verdiepen in de problemen en moeilijkheden die de rechterlijke macht tegenkomt. Zijn ze onoverkomelijk? Kom ook naar het symposium ‘De nacht van Descartes: Het gezag van de toga’ en discussieer mee!

Categorie: Bestuurs- en rechtswetenschappen | Geen reacties »

Aftellen: De Nacht van Descartes - Het gezag van de toga

Door Studium Generale op 19-07-2010

Via tv-programma’s als De rijdende rechter en CSI zien we steeds meer van het functioneren van de rechterlijke macht. Dwalingen in de rechtspraak worden breed uitgemeten en publiek én politiek laten zich daarover uit. Rechters hebben daardoor het gevoel dat hun gezag steeds meer afkalft. De jaarlijkse Nacht van Descartes is in 2010 gewijd aan het gezag van de toga. Welke verwachtingen bestaan er van het recht? Zijn die verwachtingen niet reëel? En waarom dan niet?

Rechtsgeleerden, wetenschappers en het publiek stellen de vraag waarop het gezag van de rechter berust. Onzekerheid is een grote factor in het oordeel. Maar onzekerheid wordt steeds minder geaccepteerd door bijvoorbeeld de media. Een probleem waar ook de wetenschap mee kampt. Kunnen de filosofie van het recht en de wetenschap ons helpen?

In een middag- en avondprogramma (los van elkaar te volgen) spreken onder meer prof. dr. Mirko Noordegraaf, prof. dr. Chrisje Brants en Pieter Hilhorst.

Donderdag 23 september, Geertekerk, vanaf 14.00 uur

Categorie: Bestuurs- en rechtswetenschappen | Geen reacties »

De rol van Nederland in de internationale wapenhandel

Door Studium Generale op 07-10-2009

Nederland en Internationale wapenhandel. Een ver van je bed show? Helemaal niet. Wereldwijd staat Nederland op nummer vijf als wapenexporteur. Schiphol en de havens van Rotterdam zijn belangrijke knooppunten van wapentransporten van en naar oorlogsgebieden. Wat voor rol speelt Nederland precies in de internationale wapenhandel? Welke partijen binnen en buiten Nederland zijn betrokken bij de wapenhandel en financiering hiervan? Professor Ko Colijn zet in de openingslezing van het symposium kort de rol van Nederland in dit alles uiteen.

Wapenhandel heeft een negatieve bijklank. Het wordt geassocieerd met oorlog, corruptie en slachtoffers. Maar wapenhandel gaat niet alleen gepaard met smeergeld en illegaliteit. Dat is een aspect, maar veiligheid speelt bijvoorbeeld ook een rol. Daarnaast is wapenhandel van belang voor internationale betrekkingen en de vorming van bondgenootschappen.

Een vaak gestelde vraag als het om wapenhandel gaat, is of Nederland, en alle andere landen, wel wapens mogen exporteren. Wapenhandel is gerechtvaardigd, omdat volgens het handvest van de Verenigde Naties elk land het recht heeft op zelfverdediging. Aangezien het recht op zelfverdediging impliceert dat daarvoor ook middelen nodig zijn, is het haast onmogelijk om niet aan wapenhandel te doen. Enige tolerantie ten aanzien van wapenhandel is nodig. Dat betekent niet dat deze geen restricties kent. Excessieve wapenhandel of het bevoorraden van agressieve landen moet worden voorkomen. Dat laatste is ook juist precies waar de knelpunten rondom wapenhandel zitten.

Levering van wapens aan anderen mag alleen als het bedoeld is voor ‘legitieme’ defensiedoeleinden. In de praktijk houdt dit in dat Nederland zonder problemen wapens levert aan bondgenoten. De kans bestaat echter dat deze landen de wapens vervolgens weer doorsluizen naar andere landen, waar de wapens alsnog misbruikt worden. Om dit zoveel mogelijk te voorkomen, zijn er allerlei regels met betrekking tot wapenlevering opgezet. Hierin is onder andere opgenomen aan welke landen onder welke omstandigheden wel of niet geleverd mag worden. Vaak gaat het dan om ingewikkelde afwegingen, waarbij politiek, economie, internationaal recht en veiligheid betrokken zijn.

Ondanks de opgestelde regels gaf de openstelling van de EU grenzen in 1992 nieuwe problemen. Deze openstelling maakte vrije handel mogelijk, waardoor export van wapens via omleidingen en sluiproutes naar verboden gebieden makkelijker werd. Om dit tegen te gaan, is er een Europese Gedragscode opgesteld, waarbij landen aan elkaar moeten verantwoorden waarom zij wel leveren aan een oorlogsgebied. In deze code staat ook opgenomen dat er geen wapenlevering mag plaatsvinden aan een land als er een relatie bestaat tussen de levering van wapens en mensenrechtenschending.

Kort samengevat kan worden geconcludeerd dat wapenhandel haast onvermijdelijk is, maar dat dit niet betekent dat er geen restricties en regels aan wapenhandel zitten.

Categorie: Bestuurs- en rechtswetenschappen | Geen reacties »

Davied van Berlo spreekt in de serie Plug in over de Ambtenaar 2.0 en de kansen voor overheidinstellingen

Door Jessie Waalwijk (programmamaker) op 22-09-2009

In de derde lezing in de reeks 'Plug in', waarin de sprekers laten zien hoe de zogenoemde social media zich ontwikkelen en naast de politiek ook charitatieve instellingen en andere terreinen van de maatschappij beïnvloeden, komt de invloed op de overheid als derde aan bod. Onder de titel 'Ambtenaar 2.0' vertelde Davied van Berlo, projectleider en initiatiefnemer Ambtenaar 2.0 (Ministerie LNV), over wat voor impact social media hebben op de manier van werken van overheid.

Er is een fundamentele verandering gaande in de samenleving: in hoe mensen elkaar vinden, kennis en ideeën uitwisselen en samenwerken. Deze verandering heeft een technische aanleiding (internet; web 2.0), maar de gevolgen zijn maatschappelijk. En daarom heeft het ook gevolgen voor het werk en de manier van werken van de overheid: de relatie tussen burger en overheid, de interne organisatie van de overheid en de manier van werken van de ambtenaar. De overheid moet anticiperen op deze nieuwe ontwikkeling en bedenken wat het betekent voor de manier van werken. Waar liggen de kansen voor overheidsinstanties en wat betekent eigenlijk de 2.0 manier van werken nu daadwerkelijk?

De afgelopen jaren gebeurd er van alles en nog wat op technologisch gebied. Het Rathenau Instituut publiceerde in mei 2006 De Digitale Generatie waarin in kaart gebracht werd hoe jongeren via ICT sociale relaties onderhouden, zich vermaken, leren, werken en hun politieke mening vormen en uitdragen. Deze publicatie vormde de inspiratie bron voor Van Berlo om door te onderzoeken naar wat het web 2.0 de burgers in de toekomst gaat brengen. Het is een verandering die we allen meemaken, en die veel in ons werken zal veranderen. Met meer informatie over de werking van het web 2.0 is het mogelijk ontwikkelingen door te trekken naar de toekomst en richtingen uit te zetten voor beleidsmakers. Van Berlo heeft het initiatief genomen het netwerk Ambtenaar 2.0 op te zetten, met inmiddels al meer dan 2000 leden, waar de ontwikkelingen die het web doormaakt besproken kunnen worden. Dit netwerk is een netwerk van niet alleen maar ambtenaren maar zeer zeker ook 'gewone' burgers. Het verzamelen van mensen in zo'n netwerk versterkt het beleidsproces, uittesten, proberen etc.

Het web 2.0 is volgens Van Berlo open (transparant, open wereld, open source), sociaal (netwerken, samenwerkingen, verbinden) en de mens staat er in centraal (empoweren, op maat, verantwoordelijk). Bij het web 1.0 was opeens informatie 24 per dag te achterhalen. Je kon alles online vinden en hoefde niet meer te wachten tot het loket om 09.00 uur openging. Bij het web in 2.0 vorm kwam niet alleen de informatie online, maar ook de mens an sich. Je kon nu naast informatie gebruiken ook informatie toevoegen. Het web werd op die manier minder besloten en dynamischer. Door gebruik te maken van deze vorm moeten overheidsinstanties een geheel andere organisatie structuur uitvoeren, niet alleen meer top-down maar ook steeds meer bottom-up. Kennis kon nu ook uit de samenleving komen. De combinatie (sandwich) van de top-down en bottom-up ideeën hebben waarschijnlijk veel effect.

De rol van Davied van Berlo hierin is het duidelijk maken bij ambtenaren wat dit alles betekent. En dat er geanticipeerd moet worden door ambtenaren en overheidsinstellingen op het soort ontwikkelingen die het web 2.0 met zich mee brengt. Je kan niet achter blijven want het web 2.0 schept ook verwachtingen: grenzen vervagen, de verniching (versnippering) van de samenleving, hier en nu (als gebruiker kan je zelf bepalen wat en waar), openheid als norm en alles bèta (producten in de maak al online plaatsen). Deze trends zijn niet alleen uitingen van de techniek ook in de cultuur moeten ze toegepast worden. We moeten er naar werken en denken. Het boek 'Ambtenaar 2.0' probeert aandacht te vragen voor het belang van het denken over de werkzaamheden in het web 2.0 tijdperk en hoe deze in de praktijk moeten worden gebracht. De overheid moet een participatieplatform zijn. De slogan van dit kabinet 'Samen leven, samen werken' zal actief toegepast moeten worden (met misschien wel Amerika en MYBO.com van Barack Obama als voorbeeld).

Zoals we eerder ook van David Nieborg en Anita de Waard hoorden is een van de kenmerken van het web 2.0 dat de massa kan worden ingezet voor het vinden van oplossingen, ook wel 'crowdsourcing' genoemd. Van Berlo stelt dat de overheid de kracht van het web ook in moet zetten om ideeën uit de maatschappij te gebruiken. Zo ondersteunt bv. de nieuwe rijksoverheidssite helpeenburgerinitiatief.nl gemeenten om initiatieven van hun burgers verder te helpen. Naast tip, trucs en praktische informatie, biedt de website gemeenten en ondersteuningsorganisaties ook de ruimte om online kennis en ervaringen met elkaar te delen. Door hiervan gebruik te maken kan de overheid ook meer efficiënt ingedeeld worden. Maar let wel, het vergt echt een andere manier van werken. Niet alleen het web is 2.0 ook de medewerker moet 2.0 gaan denken.

De Waard besloot haar lezing met de stelling dat niet alleen het toegankelijk maken van wetenschap, mede mogelijk gemaakt door de technologie, maar ook het toegankelijker maken van de regels achter de wetenschappelijke taal is nodig. De week er voor bij de lezing van David Nieborg werd duidelijk dat in bepaalde mate de politiek democratischer wordt door de social media. Van Berlo pleit voor de overheid als platform maar noemt ook dat lang niet alles 'open' en toegankelijk kan zijn bij de overheid. Het 2.0 denken heeft zo zijn beperkingen in openheid binnen overheidsinstellingen.

Categorie: Bestuurs- en rechtswetenschappen | Geen reacties »

Op eigen benen: Jeugdcriminaliteit

Door Miriam Rasch (programmamaker) op 20-05-2009

Als je de kranten mag geloven, loopt het de spuigaten uit met hangjongeren, criminele meisjes die een inhaalslag maken, agressieve kinderen en overvolle jeugdinstellingen. Tegelijkertijd zijn er geluiden dat het allemaal wel meevalt met die jeugd van tegenwoordig. In de eerste lezing van de reeks 'Op eigen benen' ging universiteithoogleraar Paul Schnabel in op een recent onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau – waar hij directeur van is – waaruit eerst en vooral bleek dat de Nederlandse jeugd tot de gelukkigste ter wereld behoort. Ze is goed opgeleid, welvarend en tevreden, met goede vriendschappelijke en familiaire relaties. Tussen betutteling en onverschilligheid luidt de ondertitel van het programma: betutteling lijkt niet nodig, en onverschilligheid niet aan de orde.

Josine Junger-Tas geeft in haar lezing over jeugdcriminaliteit een soortgelijke relativering. Met veel cijfers toont zij aan dat het eigenlijk best meevalt met die jeugdcriminaliteit. Of het er nu aan ligt of de excessen groter worden, of dat de media onevenredig veel aandacht aan de jongeren besteden, wordt niet helemaal duidelijk. In elk geval blijkt wel dat de feiten de gangbare beeldvorming vaak kunnen bijstellen, zo niet weerleggen.

Begin twintig
Zo is de zware criminaliteit, waaronder misdaden tegen het leven, de laatste jaren gedaald. Daartegenover staat het aantal strafzaken tegen minderjarigen is toegenomen. De meeste verdachten die worden opgepakt zijn nog steeds mannen rond de twintig jaar: zij hebben niet veel te verliezen, willen experimenteren, voelen nog niet de druk van heel veel verantwoordelijkheid. Begin twintig begint criminaliteit een riskante zaak te worden. Iedereen zal dat herkennen; Junger-Tas geeft zelf het voorbeeld dat zij toen zij net bij Justitie werkte, opeens nooit meer door rood licht durfde te fietsen. Stel dat je baas of je vriendin erachter komt!

Maar de minderjarigen, bij wie de criminaliteit wel degelijk toeneemt, hebben hier nog geen last van. Een ander punt is dat de criminaliteit in zijn geheel wel afneemt, maar daarbinnen vernieling en geweld toenemen – precies de categorieën die mensen als de meest bedreigende ervaren. Diefstal neemt daarentegen af. Deze cijfers moeten echter wel in een bepaald licht worden gezien. Mishandeling is bijvoorbeeld enorm gestegen. Meestal gaat het dan om vechtpartijen na het stappen, als er alcohol in het spel is. Vroeger ‘hoorde dat erbij’, bijvoorbeeld op de jaarlijkse kermis. Nu doet bijna iedereen na een vechtpartij aangifte van mishandeling. Je hoeft een klap voor je kop niet meer te pikken.

Zij die na hun twintigste doorgaan met crimineel gedrag zijn de zogenaamde ‘persistente delinquenten’. Dat zijn degenen waar de samenleving zich echt zorgen over moet maken. Het gaat dan om zo’n 6 % van de criminelen die doorzet (waar meisjes 1 % van uitmaken). De rest houdt er na één of twee delicten vanzelf mee op, daar moet geen tijd, geld of zorg aan besteed worden, aldus Junger-Tas.

Etniciteit
Vaak als er gesproken wordt over problematische jongeren komt de kwestie van afkomst en etniciteit bovendrijven. Wat zeggen de cijfers hierover? Het merendeel van de jeugdcriminaliteit kan op het conto van de Nederlandse jeugd worden geschreven. Logisch, want er zijn ook veel meer Nederlanders dan allochtonen. Het is waar dat de Marokkaanse jongeren binnen de groep allochtone jeugdcriminelen weer de meerderheid vormen. Maar hun aandeel in het totaal van misdrijven is de laatste jaren gedaald van 5 tot 2 %. Dat is iets anders dan de media doen geloven. De groep die sterk stijgt, is die van niet-Westerse allochtone criminelen, die bijvoorbeeld uit West-Afrika komen.

Is herkomst dan eigenlijk niet van invloed, maken alle jongeren, Nederlands en allochtoon, evenveel kans om crimineel te worden? Nee, stelt Junger-Tas. De cijfers laten zien dat Nederlandse jongeren minder kans maken en dat jongeren met één Nederlandse ouder ook al beter terecht komen.

Aangiftebereidheid
Hoewel er binnen de cijfers dus verschuivingen plaatsvinden, blijft de criminaliteit al jarenlang stabiel, zowel die van de jeugd als de volwassenen. Waarom is het beeld van stijgende jeugdcriminaliteit dan zo hardnekkig? Veel hangt daarbij af van de registratie. Zo is de aangiftebereidheid van mensen sterk veranderd. Was het vroeger nog normaal om op het schoolplein te vechten, nu wordt dat niet meer getolereerd. Ook is er een verandering in het politiebeleid: de jeugd is nu de focus. En niet alleen ligt de focus erg op jeugdcriminaliteit, ook de nieuwe manier van werken van de politie is belangrijk bij het interpreteren van de cijfers. De politie heeft tegenwoordig te maken met prestatiecontracten en een jongere is een makkelijk doelwit om die te kunnen halen. Dat verklaart misschien ook waarom veel jongeren vervolgd worden voor heel kleine feitjes, die vroeger met een waarschuwing werden afgedaan.

Wat zijn belangrijke factoren die meespelen bij een al dan niet criminele loopbaan van een jongere? Behalve etniciteit gaat het dan ook om de gezinsstructuur, de kwaliteit van familierelaties, opleidingsniveau, de buurt en de tijd die op straat wordt doorgebracht. Factoren die natuurlijk sterk samenhangen en in onderling verband met elkaar staan.

Verschuiving
Wat betekent dit nu concreet? Hoe kunnen de cijfers een betekenis krijgen die vertaald kan worden in beleid of in een maatschappelijke discussie over jongeren en jeugdcriminaliteit? Allereerst, zo komt in de discussie naar voren, is het goed om de verschuiving te onderkennen van de perceptie van misdaad. Wat ervaren mensen als crimineel? Dat is nogal veranderd de afgelopen tijd. Wat vinden mensen erg genoeg om aan te geven bij de politie?

Daarnaast benadrukt Josine Junger-Tas dat het echt beter gaat dan mensen denken. Het gaat alleen niet zo snel als wenselijk is. En natuurlijk moet er aandacht zijn voor precies de zwakke punten die kinderen het verkeerde pad op kunnen drijven: onderwijs voor de jeugd, werk voor de ouders en hulp bij de opvoeding waar nodig. En de kleine groep die echt de slechte kant op gaat moet stevig onder toezicht komen te staan. Betutteling noch onverschilligheid, dat is nodig om ‘op eigen benen’ door het leven te kunnen gaan.

Categorie: Bestuurs- en rechtswetenschappen | Geen reacties »