De looptijd van deze Challenge is voorbij. Je kunt nog steeds alle testen doen, alleen worden de resultaten niet meer verwerkt in het onderzoek van de betrokken wetenschappers.
Boost je bewustzijn

Vijf zintuigen – of vijftig?

Zien we allemaal dezelfde kleur blauw? Hoe weet je dat er een tsunami aankomt als je die nog nooit gehoord hebt? Wat kunnen we leren van het zelfbeeld van anorexiapatiënten? En wat is normaal als het gaat om waarneming, en wat niet? Deze en nog veel meer vragen komen aan de orde in een gesprek met cognitiefilosoof Leon de Bruin over de rol van onze zintuigen in onze dagelijkse ervaring.

Prof. ing. Léon de Bruin is hoogleraar filosofie van de neurowetenschappen aan het Amsterdam UMC en universitair hoofddocent filosofie van cognitie en taal aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

Stephanie Helfferich

Vijf zintuigen – of vijftig

Ogen, oren, neus, tong, huid – dat is het antwoord dat je geeft als iemand vraagt welke zintuigen we hebben. Misschien kom je nog op een zesde zintuig, dat dan al gauw iets paranormaals wordt. Maar wetenschappers onderscheiden veel meer zintuigen dan vijf of zes. Cognitiefilosoof Leon de Bruin: "De vijf zintuigen zoals we die vanuit traditie kennen zijn voor iedereen zichtbaar en we snappen hoe ze werken. Maar tegenwoordig kunnen we er nog een heel aantal bij noemen: proprioceptie, dat je weet waar je lichaamsdelen zich bevinden ook al zie je ze niet; interoceptie, het waarnemen van prikkels van binnenuit je eigen lichaam, zoals het gevoel van honger; het gevoel van evenwicht, of je wel of niet in balans bent; de 'sense of agency', het gevoel dat je zelf de actor bent van je handelen, dus dat als je iets doet je de ervaring hebt dat jij dat dan hebt gedaan in plaats van iemand anders."

Dat klinkt wel heel breed, wat de vraag oproept: wat is eigenlijk de definitie van een zintuig? "Het punt is dat er veel verschillende manieren zijn om zintuigen in te delen. Afhankelijk van de categorieën die je gebruikt kun je op zo'n vijftig zintuigen uitkomen, als je bijvoorbeeld zaken als lichtgevoeligheid en temperatuurgevoeligheid ook meetelt. Of je dit allemaal zintuigen mag noemen is uiteindelijk meer een semantische discussie. Voor mij is een interessantere vraag: hoe worden je zintuiglijke ervaringen enerzijds gestructureerd door het lichaam dat je hebt, en anderzijds door de sociaal-culturele omgeving waarin je leeft?"

Je ziet hoe het werkt als het niet meer werkt

We hebben eigenlijk helemaal niet zo veel aan de rauwe informatie die we van de afzonderlijke zintuigen binnenkrijgen. Pas als we het samenvoegen en interpreteren kunnen we er iets mee. "Dat merk je eigenlijk pas echt als het mis gaat. Mensen met de stoornis BIID (Body Identity Integrity Disorder) bijvoorbeeld, vinden dat ze een lichaamsdeel teveel hebben. Ze hebben gewoon twee armen en twee benen, maar toch voelt het alsof ze er één teveel hebben, en die willen ze dan het liefst amputeren. Daar gaat dus iets verkeerd in de integratie van de verschillende aspecten van het lichaamsbeeld. Of denk aan mensen met anorexia. Uit verschillende studies blijkt dat zij het idee hebben dat hun lichaam groter is dan het daadwerkelijk is. Er is dus iets mis met hun visuele perceptie. Deze voorbeelden zijn behoorlijk extreem, maar ze laten goed zien hoe belangrijk een goede integratie en interpretatie van zintuiglijke informatie is."

Leren van je waarnemingen

Verwachtingen spelen een grote rol in onze waarnemingen. Bijvoorbeeld: als we aan de voorkant van ons huis uit het raam kijken en we zien dat het regent, dan verwachten we dat het aan de achterkant ook regent. "Een populaire theorie in de cognitieve neurowetenschappen noemt dit verschijnsel predictive processing. Volgens deze theorie heeft ons brein voorbaat al bepaalde verwachtingen over hoe de wereld er uit ziet. Maar wat we waarnemen wordt ook steeds bijgestuurd door de daadwerkelijke input die we krijgen. Dus het kan zo zijn dat de verwachtingen die je hebt gecorrigeerd worden omdat het aan de achterkant van je huis toch niet regent. Maar dat is dan wel een verrassing."

Dat opbouwen van verwachtingen doe je doordat je als kind voortdurend leert van je ervaringen en waarnemingen. "Bijvoorbeeld met verstoppertje spelen. Als ze nog jong zijn denken kinderen: als ik mijn handen voor mijn ogen doe ziet niemand mij. Ze moeten nog leren dat het feit dat ze zelf niets zien, niet betekent dat ze niet door anderen gezien kunnen worden. Ook experimenteren ze met hun 'sense of agency', dus dat je actor bent van je handelen. Bijvoorbeeld als ze voor een stoplicht staan en dan met hun ogen knipperen om te kijken of daar het stoplicht van op groen gaat. Dat is iets wat bijna elk kind wel eens doet. Daarmee kijkt het kind: wat is mijn invloed op de wereld eigenlijk."

Het belang van taal en cultuur

Onze verwachtingen zijn deels cultureel bepaald, omdat ze gevormd worden door de omgeving waarin we opgroeien. "Een bekend voorbeeld is die van kleurperceptie," legt De Bruin uit. "Je hebt een hypothese in de taalkunde, de Sapir-Whorfhypothese, die stelt dat de taal die je spreekt deels bepaalt wat je ziet. Wij gebruiken het woord 'blauw' voor alle kleuren blauw, maar het Russisch kent aparte woorden voor lichtblauw en donkerblauw. Uit onderzoek blijkt dat mensen die Russisch spreken, ook gevoeliger zijn voor verschillende varianten van de kleur blauw. Maar ook het wetenschappelijke vocabulaire dat we geleerd hebben maakt een verschil: een bioloog of botanist kan veel scherper onderscheid maken in haar waarnemingen van de natuur dan een leek. Taal laat ons scherper duiden en specificeren wat we zien."

Cultuur bepaalt ook welke zintuiglijke informatie we normaal vinden of juist niet. Neem een fenomeen als het horen van stemmen. Als je stemmen hoort die niet van jezelf zijn, wordt dat in onze cultuur snel gezien als raar, legt De Bruin uit, je wordt zelfs als psychisch ziek bestempeld. Maar in sommige culturen, bijvoorbeeld sjamanistische, is het horen van stemmen een teken dat je in verbinding staat met een andere dimensie. De zintuiglijke informatie wordt dus ook anders, en in dit geval positief gewaardeerd: het heeft een functie, het wordt ergens voor gebruikt.

Ik zag het, maar ik zag het ook niet

Hoe ervaring je waarneming kleurt, ondervond De Bruin zelf aan den lijve toen hij in 2004 in Thailand in een tsunami terechtkwam. Het woord 'tsunami' kende hij wel, maar het hele fenomeen en wat er bij komt kijken niet. "Ik was met mijn partner aan het kajakken toen we ineens een heel zwaar gerommel hoorden. Ik kon het totaal niet plaatsen, ik had nog nooit eerder zoiets gehoord. En ik zag in de verte wel een golf, maar ik dacht alleen maar: dat is wel een hele lange boeggolf zeg. Dus ik nam het allemaal waar, maar ergens ook niet. Want ik wist niet hoe ik het moest interpreteren.

Ik probeerde echt te denken: wat gebeurt hier? Ik zag mijn hele omgeving reageren, iedereen probeerde weg te komen, dus denk je: wat er ook gebeurt, het is blijkbaar gevaarlijk en dus moeten we hier iets mee. Maar wat er precies gebeurt, dat heb je niet door. Voor mij werd het signaal 'Dit is gevaarlijk' vooral gegeven door hoe andere mensen reageerden. En zo werkt het voor kinderen natuurlijk ook, die leren door continu naar hun ouders te kijken: 'Is dit oké of niet?' Zo voelde ik me ook een beetje."

Uniek perspectief

Omdat cultuur, ervaring en verwachtingen zo'n grote rol spelen in onze waarneming, heeft ieder mens een eigen, uniek perspectief. "Iemand anders kan alleen exact hetzelfde ervaren als jij, als die letterlijk op jouw plek gaat staan, en dan ook nog jouw geschiedenis en ervaringen heeft." Hebben we dan wel een gedeelde ervaring? Hebben we het eigenlijk wel over dezelfde werkelijkheid? Het feit dat ieder van ons een uniek perspectief heeft, betekent niet dat er helemaal geen gedeelde waarneming is, zegt De Bruin. "Neem dat standaard plaatje van perceptuele illusie, waarin je een eend of een konijn ziet.

Unknown artist - Vectorized using Inkscape 0.92.3 from Kaninchen_und_Ente.png, itself a high-resolution scan from scanned page of Fliegende Blätter, full page: Flegende-Blatter-1892.png, Public Domain

"We zien óf een eend, óf een konijn, we zien niet een krokodil ofzo. Dus er zit een overlap in wat we waarnemen, maar we interpreteren het niet altijd hetzelfde. Je kunt elkaars interpretatie ook beïnvloeden: als je tegen de ander zegt: 'Maar je zou er ook een konijn in kunnen zien', dan ziet die ander dat konijn ineens. Het aandragen van die term maakt al dat iemand de visuele input anders kan gaan interpreteren. Mits ze geleerd hebben wat een konijn is en ooit een konijn hebben gezien, natuurlijk."

De zintuigen ondersteunen

Een ander cultureel aspect is dat we steeds meer technologie gebruiken om onze zintuigen te helpen of te ondersteunen. Dat kan variëren van brillen en gehoorapparaten tot microscopen en fMRI-scanners. Of zogenaamde 'wearables', zoals sporthorloges, die ons informatie geven over ons lichaam die we anders niet zo snel bewust zouden hebben: hoe hard onze hartslag gaat tijdens het hardlopen, of hoe lang we precies slapen en of we onze slaapcycli wel goed afmaken. En de waarneming hoeft zelfs niet vooraf te gaan aan de theorie: "Zwarte gaten in de sterrenkunde waren in eerste instantie een theoretisch construct dat we niet direct konden waarnemen. Het pas recent en met behulp van speciale technieken gelukt om dit te visualiseren," vertelt De Bruin.

Neurodiversiteit

De belangrijke vragen op het gebied van zintuigenonderzoek liggen volgens De Bruin vooral bij de rol van sociale normen en wat daar de invloed van is op het menselijk functioneren. Denk aan onderzoek naar neurodiversiteit. De Bruin: "We merken steeds meer dat er niet zoiets is als een doorsnee populatie die op een bepaalde manier reageert op de omgeving. Zo zien we in ons onderwijs dat steeds meer studenten aangeven dat de standaard leeromgeving voor hen niet werkt. Bijvoorbeeld als ze met 300 tegelijk in de collegezaal moeten zitten en alle bijkomende prikkels helemaal niet aan kunnen. Of studenten die meer behoefte hebben aan structuur. Vroeger zouden we dat weer bij de student neerleggen, en die behoefte aan structuur als iets abnormaals zien. Maar zijn studenten niet gewoon veel meer geholpen met een duidelijkere studiehandleiding?

In de psychiatrie gebruiken we een ingewikkeld classificatiesysteem om te bepalen wat normaal is en wat niet, de DSM V, maar de laatste tijd wordt eigenlijk steeds meer geargumenteerd: misschien zijn individuen gewoon anders afgestemd op hun omgeving en moeten we eerst erkennen dat er veel meer variatie bestaat in hoe mensen omgaan met informatie die ze via hun zintuigen binnen krijgen."

Laat een reactie achter

Mijn bericht
0/1000
Mijn bericht mag hier publiekelijk worden getoond
Reacties worden anoniem gedeeld

Reacties van anderen