Na een oorlog keren veel militairen terug naar huis. Ze hebben de strijd overleefd, maar de gevolgen verdwijnen niet altijd zodra het geweld stopt. Sommige veteranen kampen met een posttraumatische stressstoornis (PTSS). Kunnen de sporen van trauma ook worden doorgegeven aan volgende generaties?

Artikel

Kun je het trauma van je ouders erven?

Zarah Keyser (Stagiair)
  • 8 oktober 2026
  • Leestijd 3 min
Rod Long / Unsplash

Intergenerationeel trauma
Veel veteranen zijn na de Tweede Wereldoorlog ernstig getraumatiseerd terug naar huis gekeerd. Hoewel de term PTSS (post-traumatische stressstoornis) pas in de jaren ’80 officieel erkend werd, was het in de jaren na de oorlog een veelvoorkomend verschijnsel met ingrijpende gevolgen voor slachtoffers en familie, legt klinisch psycholoog Trudy Mooren (UU) uit. Waar eerst vooral aandacht was voor veteranen en verzetsstrijders in Nederland, kwam er jaren later ook meer erkenning voor de slachtoffers van de Japanse bezetting in voormalig Nederlands-Indië (Indonesië). In haar werk bij Centrum ’45, een instituut dat traumabehandeling voor oorlogsslachtoffers faciliteert, kwam Mooren in aanraking met een omvangrijke Indische naoorlogse generatie. Wat viel op? Deze mensen kwamen met klachten die veel te maken hadden met autonomie, hun individuele welzijn en relaties. “Het leek veel meer te maken te hebben met het nest waar ze uit komen”, aldus Mooren. Een generatie die zelf geen oorlogstrauma had meegemaakt, ervoer klachten die dergelijk trauma wel impliceren. Er leek iets aan de hand in de overdracht van ouders op kinderen. 

En onderzoek bevestigde dat vermoeden. Een kernsymptoom van PTSS zijn intrusies, waarbij mensen ongewild nare ervaringen herbeleven. Het zijn dingen waaraan je niet wilt denken maar die zich aan je opdringen. “Die ene herinnering waaraan je niet kunt ontsnappen”, omschrijft Mooren. De oorlog werkt dus in zekere zin door in veteranen, maar soms ook in hun nageslacht. Een deel van de naoorlogse generatie ervaart indirecte intrusies. Dit zijn ervaringen zoals nachtmerries, flashbacks of het horen van geluiden die gaan over niet zelf ervaren traumatische gebeurtenissen. De helft van de mensen die hulp zochten bij Centrum ’45 had indirecte intrusies, hoogstwaarschijnlijk (hoewel niet bevestigd) ontleend aan de ervaringen van hun ouders. Met deze aandacht voor de naoorlogse generatie werden nieuwe patronen blootgelegd en kwam er aandacht voor familiesystemen en overdracht van trauma onder de noemer ‘intergenerationele overdracht’.

Trauma in de genen?
Niet alleen de aandacht voor familiesystemen heeft voor meer erkenning van intergenerationele overdracht gezorgd, maar ook in de biologie is een overdracht waarneembaar. “We zijn de biologie beter gaan begrijpen”, stelt Mooren. Voorheen kregen moeders de schuld als hun kinderen niet goed functioneerden, waarbij hun opvoeding als oorzaak werd aangewezen. Maar uit onderzoek blijkt dat het doorgeven van trauma soms ook biologisch aantoonbaar is. Uit studies in de VS bleek dat de kinderen van vrouwen die bevallen waren in de periode en omgeving van 9/11 een andere stressregulatie hadden dan kinderen die elders geboren waren. Er werd een verandering teweeggebracht in de vertaling van DNA-materiaal naar gedrag bij het kind, door de extreme stress die de moeder tijdens de zwangerschap ervaren had. Zo werd duidelijk dat moeders extreem stressvolle of traumatische gebeurtenissen kunnen doorgeven aan hun (nog ongeboren) kind. 

De generatie die vragen durft te stellen
Hoe kan er worden omgegaan met intergenerationeel trauma? Mooren verwijst naar verschillende elementen om het functioneren van een gezin te duiden in psychotherapie. Hieronder vallen de rollen die aanwezige en afwezige familieleden vervullen, de hechting van kinderen en de communicatie met deze gezinsleden. In het kader van intergenerationeel trauma gaat dit veelal over wat er wel en niet gedeeld wordt binnen het gezin. Welke vragen durven familieleden te stellen en welke verhalen blijven onbesproken? Uit onderzoek naar naoorlogse generaties blijkt dat bij de derde generatie geen klachten meer worden gevonden die herleidbaar zijn tot het oorlogstrauma. Volgens Mooren is dit de generatie die vragen durft te stellen. Zij lijden niet meer onder de pijn van hun voorouders, zoals hun ouders dat wel deden, en doen vaker pogingen om het open te breken. Zo zie je vaker dat deze generatie hun grootouders interviewt en vraagt naar verhalen van de oorlog. 

Maar ouders en grootouders met trauma zijn niet altijd bereid of in staat deze vragen te beantwoorden. Hoe kun je daarmee omgaan? “Kinderen worden soms niet meegenomen in moeilijke verhalen terwijl ze wel voelen dat er iets ergs is gebeurd”. Je mag best aangeven bij een kind dat je het te vroeg vindt om iets te vertellen, stelt Mooren. “Als een kind zich maar gezien voelt en doorheeft dat die vraag is gehoord”.