Vrouwen hebben talloze redenen om boos te zijn: seksuele intimidatie, de loonkloof en het glazen plafond zijn er daar slechts enkele voorbeelden van. Toch is onze maatschappij ontzettend goed in het wegzetten van boze vrouwen. Ze zijn te emotioneel, hysterisch of zelfs labiel. Waarom is feministische woede in deze tijd onmisbaar?

Artikel

Fonkelend van feministische woede

Mare Versteege (Stagiair)
  • 16 december 2025
  • Leestijd 3 min
Unsplash | Alexander Krivitskiy

Het is woensdagavond, de theaterzaal van de Bibliotheek Neude is goed gevuld als programmamaker Hilke Grootelaar de SG-avond ‘Woede als feministisch wapen’ aftrapt met een vraag aan het publiek: “Wie herkent zich in het etiket van de irrationele, hysterische vrouw?” Een jonge vrouw steekt haar hand op en begint te vertellen: “Op mijn werk slikte ik vaak mijn woede in, en toen ik dat niet meer deed werd ik ontslagen.”

Schokkend? Ja. Uitzonderlijk? Nee. Uit onderzoek blijkt dat vrouwen systematisch negatiever worden beoordeeld op hun boosheid dan mannen, vertelt één van de gasten deze avond: pedagoog Joyce Endendijk (Universiteit Utrecht). In dit geval zelfs met ontslag tot gevolg. Boosheid kan je duur komen te staan — maar juist daarom moet ze uitgesproken worden. Waarom?

De kracht van woede

Endendijk is helder. “Woede heeft een hele mooi signaalfunctie. Het laat zien dat er een discrepantie is tussen wat ik wil: mijn verwachtingen, en de werkelijkheid.” De andere gast, Filosoof Sigrid Wallaert (Universiteit Gent) sluit zich daarbij aan: “Woede kan nuttig zijn om onrecht te identificeren, te begrijpen en te bestrijden.” Deze activistische woede kan verbroederend werken. Zo demonstreerde Greta Thunberg als twaalfjarig meisje in haar eentje tegen het gebrek aan klimaatactie, maar vanuit deze woede bracht ze wel een wereldwijde protestbeweging op gang, illustreert Wallaert. 

'Hij is boos', 'zij is verdrietig'

Toch leren we jonge meisjes al vroeg om hun boosheid te verbergen. Sterker nog, hun woede wordt veroordeeld: het is ongepast, ondamesachtig en onaantrekkelijk. Ook in Nederland spelen hardnekkige gendernormen een rol, concludeert Endendijk op basis van haar onderzoek over genderverwachtingen bij jonge ouders.

In haar onderzoek liet ze ouders een prentenboek voorlezen aan hun jonge kinderen, met daarin genderneutrale personages die verschillende emoties toonden. Vervolgens analyseerde ze welke genders ouders aan die emoties toeschreven.  Een stampvoetende animatie werd vaak omschreven met “Hij is boos”, en het huilende personage werd steevast aangeduid met “Kijk, zij is verdrietig”. 

De verklaring dat ouders hiermee simpelweg de werkelijkheid weerspiegelen — jongetjes zouden nu eenmaal vaker boos zijn dan meisjes — wordt door Endendijk verworpen. De verschillen in stereotype toeschrijvingen die ouders uiten zijn veel groter dan de daadwerkelijke verschillen in emotionaliteit. “Hiermee zien we dat kinderen dus al vanaf heel jonge leeftijd verschillende boodschappen meekrijgen over de gepastheid van bepaalde emoties bij jongens en bij meiden” legt Endendijk uit. 

Dubbele standaard

Deze stereotyperingen, die al in onze kindertijd beginnen, dragen bij aan een collectieve dubbele standaard. Mannen en vrouwen die hetzelfde gedrag vertonen worden hierop structureel anders beoordeeld. De boze man geldt als daadkrachtig, de boze vrouw heeft haar emoties niet onder controle. Het label dat we op iemand plakken bepaalt hoe geloofwaardig we de boodschap vinden die hij of zij te vertellen heeft, vertelt Wallaert. Zo wordt een boze zwarte vrouw sneller weggezet als irrationeel en onbetrouwbaar dan haar witte mannelijke tegenpool. Deze ongelijkheid noemt filosoof Miranda Fricker het getuigenisonrecht. Belangrijk daarbij is dat het niet alleen over gender gaat: ook andere kenmerken zoals een niet-witte etniciteit, een lichamelijke beperking en een LHBTI-seksualiteit verminderen de geloofwaardigheid die iemand wordt toegekend. 

Punching up vs punching down

Maar mensen die laag scoren op geloofwaardigheid hebben juist vaak alle reden om boos te zijn over maatschappelijk onrecht: zij zijn degenen die worden getroffen door seksisme, racisme, validisme, transfobie en homofobie. Wanneer zij kwaad de straat op gaan om te demonstreren tegen dat onrecht, is hun woede naar boven gericht: naar de mensen met macht. Tegelijkertijd is er ook een  zichtbare groep van woedende witte mannen die hun boosheid publiekelijk én online uiten. Zij voelen zich door de emancipatie van vrouwen en minderheden bedreigd in hun privileges. De Amerikaanse socioloog Michael Kimmel noemt dit ook wel ‘aggrieved entitlement’: het gekrenkte gevoel dat iets afgenomen wordt waar men recht op denkt te hebben.

Deze woede kunnen we met een korreltje zout nemen vindt Wallaert: “Als vuistregel kunnen we gebruiken dat woede serieus genomen moet worden als die omhoog gericht is op de maatschappelijke ladder van macht.”

Je woede mag er zijn

Woede vervult een belangrijke signaalfunctie: het signaleert onrecht. Dat diegene die onrecht aankaart niet wordt geloofd, heeft te maken met hoe we kinderen al leren wie wel en niet boos mag zijn, en met hardnekkige stereotyperingen over boze vrouwen – zeker wanneer zij zwart, LHBTI+ of gehandicapt zijn. Maar het feit dat boosheid niet direct geloofd wordt, wil niet zeggen dat zij verzwegen moet worden. Integendeel, Wallaert sluit de avond af met het volgende:

“Deze laatste les is voor iedereen die kwaad is, maar niet gehoord wordt. Voor iedereen die goede redenen heeft voor woede, maar niet de sociale macht om serieus genomen te worden. Je woede mag er zijn. Je woede is gerechtvaardigd. Het feit dat je niet gehoord wordt, ligt niet aan jou, maar (onder meer) aan getuigenisonrecht. Het is niet jouw verantwoordelijkheid om dit op te lossen. Weet dat je boodschap belangrijk en waardevol is, en ga zo door. Je woede mag er zijn.”