‘Met alleen individuele aanpassingen redden we het niet’

Een interview met hoogleraar Publieke Innovatie Albert Meijer over duurzaamheid en de stad van de toekomst.
Leestijd 5 minuten — Wo 3 juni 2020
Pompen of verzuipen

Het is stil op de straten. Het publieke leven is even stopgezet. Eén onderwerp voert de boventoon in het dagelijkse nieuws: corona. Tegelijkertijd sluimert een andere crisis rustig door: de ecologische. De luchten zijn weliswaar schoner nu de wereld even stilstaat, maar als we de klimaatdoelen willen halen is zo’n tijdelijke pauze niet genoeg. Die doelen zijn ambitieus. In 2050 moet de Nederlandse CO2-uitstoot met 80 tot 95% verminderd zijn en onze economie volledig circulair. We hebben daarin nog grote stappen te zetten.

Op dit moment wordt slechts de helft ons afval gescheiden, en qua hernieuwbare energie bungelen we in Europa onderaan. Waarom boeken we zo weinig vooruitgang? Volgens hoogleraar Publieke Innovatie Albert Meijer (UU) moet de discussie over duurzaamheid fundamenteel anders gevoerd worden. “We hebben het vaak meer over het gedrag van individuele personen dan de onderliggende infrastructuren.”

Geen individuele zoektocht

Geen individuele zoektocht De infrastructuren waar Meijers zoektocht naar duurzaamheid begint, zijn de zaken die je doorgaans voor lief neemt: de stroom uit je stopcontact, het water uit je kraan, je verbinding met internet, of de verwerking van het afval dat je aan de straat hebt gezet. Ze vormen de ruggengraat van de samenleving. Hoe we die infrastructuren inrichten heeft een enorme impact op duurzaamheid. Op individuele gedragsverandering sturen zonder het grotere plaatje aan te passen heeft geen zin volgens Meijer. “Als jij je afval scheidt en vervolgens alles weer bij elkaar wordt gemikt dan is dat zinloos. Gedrag vindt altijd plaats binnen de context van bepaalde structuren. We moeten dus goed kijken naar hoe die infrastructuren georganiseerd zijn.”

Hij ziet talloze mogelijkheden voor duurzamer energie-, watergebruik en vervoer. Maar daar moet de omgeving wel op ingericht zijn. “Stel dat jij zonnepanelen op je dak legt en ook bij wil dragen aan de energievoorziening van anderen. Dan moet het elektriciteitsnet zo zijn ingericht dat je kunt terugleveren aan het net.” Ook op het gebied van water laten we veel kansen liggen. De echte milieuwinst zit hem niet in een paar minuten korter douchen, maar in het zorgen dat een groot deel van het water dat een huishouden gebruikt wordt gerecycled. Dat moet geen individuele zoektocht zijn, maar veel meer structureel worden ingebed.

Natuurlijk is een gedragsverandering nodig om vernieuwde infrastructuren te laten werken. Mensen moeten wel bereid zijn om te fietsen of het openbaar vervoer te nemen. “Maar op het moment dat er slechte OV-opties zijn, geen leenfietsen, alleen wegen met auto’s, dan wordt het heel lastig om de groene optie te kiezen.”

 

Ontwerpen voor de toekomst

De grote structuren moeten dus drastisch worden aangepast als we onder die 1,5 graad temperatuurstijging willen blijven en ons land weerbaar willen maken tegen de onvermijdelijke gevolgen van klimaatverandering, zoals een stijgende zeespiegel en toenemende periodes van droogte. Het denken daarover begint in de stad, waar op dit moment 50% van de wereldbevolking huist en alle infrastructuren samenkomen.

Met zijn onderzoeksgroep Transforming Infrastructures for Sustainable Cities denkt Meijer na over nieuwe manieren om de stad in te richten. Maar is het wel mogelijk om nu duurzaam te ontwerpen voor de toekomst? Ontwikkelingen gaan razendsnel en de looptijd van grote investeringen is lang. Kijk naar de Utrechtse wijk Kanaleneiland. Die werd in de jaren 50 gebouwd als een hypermoderne wijk, maar bleek weinig van de bestuurlijke dromen waar te kunnen maken. De welvaart in het naoorlogse Nederland steeg onverwacht hard, waardoor Kanaleneiland al snel niet meer vernieuwend was. De middenklasse wilde wonen in een rustige wijk, met een eigen tuin. En geen van de planologen had kunnen voorspellen dat hun berekening van 1 auto per 12 huishoudens zo snel achterhaald zou blijken. Meijer: “Aan de ene kant wil je iets ontwerpen dat zekerheid biedt voor de lange termijn, aan de andere kant moeten we rekening houden met dingen die we nu nog niet kunnen zien. Dat vraagt om flexibiliteit. Dat is een tegenstrijdigheid in de ontwerpeisen.”

De aanbouw van nieuwe wijken biedt kansen om nieuwe fundamenten te leggen. Dat brengt dilemma’s met zich mee. Zo moet de Utrechtse wijk Merwede autoluw worden, met slechts plek voor 0,3 auto per gezin. Het merendeel van de verplaatsingen in de wijk zal per fiets of het OV plaatsvinden. Meijer en zijn onderzoeksgroep adviseerden de gemeente over de organisatie hiervan. Meijer: “Het risico van dit soort infrastructurele keuzes is dat we doen alsof het alleen gaat over technische vragen, die wel aan ingenieurs kunnen overlaten.” Maar in werkelijkheid is zo’n vraagstuk volgens Meijer geen technische maar een politieke keuze. Hoe je de mobiliteit in de buurt organiseert hangt af van wat je het belangrijkst vindt: duurzaamheid, sociale cohesie, toegankelijkheid of de goedkoopste optie voor de gemeente. Kies je er bijvoorbeeld voor om alleen de grote huizen een parkeerplek voor de deur te geven, dan boek je winst in termen van duurzaamheid. Maar, zegt Meijer: “Dat heeft als consequentie dat mensen met minder geld hun IKEA-bouwpakket met de tram moeten verslepen, of per bakfiets, terwijl ook zij graag een auto voor de deur hadden gehad. Het is aan de gemeente om daar bewust een keuze in te maken en daar open over te zijn.”

Flexibele en makkelijk aanpasbare steden, dat klinkt mooi, maar de praktijk is weerbarstiger. Een groot deel van de veranderingen zal bovendien moeten worden doorgevoerd in al bestaande wijken. Ook dat brengt dilemma’s met zich mee. Ga je als gemeente nu nog investeren in de renovatie van gasleidingen, als je weet dat de toekomst elektrisch is? De Gemeente Utrecht besloot om die reden niet te investeren in de renovatie van het gasleidingennetwerk in de wijk Overvecht. Als alle bewoners gedwongen zouden overstappen op elektrisch koken, dan kon direct worden geïnvesteerd in een duurzame oplossing. De Tweede Kamer nam afgelopen april een motie aan die dit verbood. Wie wil, kan van het gas afstappen, maar dat moet op vrijwillige basis gebeuren, bepaalde de Kamer. Adviseren daarin is geen gemakkelijke taak, zegt Meijer. “Je neemt beslissingen die een grote impact hebben voor een heel lange periode. We moeten echt nadenken over andere toekomstscenario’s. Als we nu investeringen doen die nog heel erg gericht zijn op een fossil-fuel economy dan hebben we niet alleen nu een probleem, maar voor een lange tijd.”

Meijer laat zich beïnvloeden door de ideeën van Amerikaans socioloog Richard Sennet. Die spreekt van ‘building’ en ‘dwelling’, het bouwen van open constructies die flexibel zijn en makkelijk te veranderen. Kantoorgebouwen die omgevormd kunnen worden tot woningen, bijvoorbeeld. De toekomst van de stad, en dat geldt ook voor de infrastructuren, is niet in steen gebeiteld, maar moet juist flexibel en makkelijk aanpasbaar zijn.

Data is het nieuwe goud

Meijers specialisatie ligt op het gebied van ICT, een complexe en grotendeels onzichtbare infrastructuur die onmisbaar is in het duurzaamheidvraagstuk. Het managen van verkeersstromen, grondwaterstanden, energievoorziening: alle sectoren maken er uiteindelijk gebruik van. Velen zien om die reden de smart city als de stad van de toekomst: een stad waarin grootschalige inzet van informatietechnologie de basis vormt voor een prettige en duurzame leefomgeving. Anderen hebben zo hun bedenkingen. In de slimme stad zijn onze data het nieuwe goud, en die worden niet altijd netjes bewaakt. Ook Meijer is kritisch: “De afgelopen jaren zijn digitale mogelijkheden te veel gekoppeld aan de winst van grote bedrijven, met te weinig controle door de overheid.”

In de digitale economie hebben commerciële bedrijven een grote voorsprong op de overheid. Door de doorverkoop van gebruikersgegevens mee te nemen in hun verdienmodel kunnen ze goedkoop diensten leveren. De overheid doet dat niet en is daardoor altijd duurder uit. Meijer: “Principieel ben ik voorstander van een meer open systeem. Waarin data van de eigenaar zijn, en jij zelf toegang hebt tot je data en niemand anders. Maar hoe je dat als overheid financieel rond krijgt, daar ben ik nog niet over uit. We moeten de komende tijd hard gaan werken aan nieuwe standaarden waar de smart city aan moet voldoen, om te voorkomen dat het een race to the bottom wordt, en gemeenten afhankelijk raken van grote bedrijven omdat ze het alternatief niet kunnen betalen. Net zoals je niet mag werken onder het minimumloon, of een brandgevaarlijk huis mag verhuren, kun je als overheid ook eisen stellen aan dataveiligheid, eigenaarschap en privacy.”

We moeten nú nieuwe wegen inslaan

In de transitie naar een duurzamere samenleving moeten oude vertrouwde infrastructuren op de schop, en snel ook. Zijn we op tijd om de omslag te maken en de broodnodige veranderingen door te voeren? Meijer: “Ik denk dat we er keihard aan moeten werken, dat we het niet op moeten geven maar dat het wel zwaar gaat worden. Oude infrastructuren reproduceren, dat is een doodlopende weg. Het vergt echt veel actie langs allerlei verschillende lijnen. Hoe kunnen we een transitie vormgeven die tegelijkertijd democratisch ingebed is? Dat is de uitdaging waar we nu voor staan.”